Skip to main content

Gedragspatronen: sponzen en spiegelen

gedrag
Verdieping
Ga naar onderdeel
Sponzen en spiegelen
Sponzen
Spiegelen
Beter spiegelen dan sponzen?
Een voorbeeld
Nog een voorbeeld

‘Sponzen’ en ‘spiegelen’ zijn twee verschillende manieren om met iemand met psychische problemen om te gaan. Het zijn gedragspatronen die elkaar aanvullen. Kort gezegd neem je als je sponst veel verantwoordelijkheden van de ander over en als je spiegelt juist niet. Beide vormen van gedrag hebben voor- en nadelen. Hieronder worden de gedragspatronen verder uitgelegd. Ook geven we twee voorbeelden. 

Sponzen

Als je sponst, wil je vooral graag voor de ander zorgen, hem helpen en voorkomen dat de ander in de problemen raakt (‘redden’). Het belang van de ander staat voorop. Ook als dat ingaat tegen je eigen belang. Sponzen wordt gevoed door emoties als liefde, medelijden, angst en schuldgevoel.

Iemand die zich vooral als een spons gedraagt:

  • Staat altijd klaar voor de ander
  • Wil zoveel mogelijk moeilijkheden voor de ander voorkomen
  • Vindt het vreselijk om de ander te zien lijden, wil dit graag oplossen en reageert daardoor vaak overbetrokken
  • Denkt, voelt en handelt voor de ander
  • Accepteert het gedrag van degene met psychische problemen, ook als dat onterecht is
  • Voelt zich zeer verantwoordelijk voor het gedrag van de ander en haalt hem zonodig uit de nesten, bijvoorbeeld door boetes of schulden te betalen
  • Gaat vaak mee in de emotie van de ander
  • Is geneigd zijn of haar leven aan te passen aan de ander
  • Geeft weinig grenzen aan en als hij dit al doet, worden de grenzen niet gehandhaafd
  • Laat zich vaak en makkelijk claimen

Als je te veel sponst, loop je gevaar te ver te gaan in het zorgen voor de ander. Door te veel te willen redden, leert de ander niet om zelf verantwoordelijk te zijn voor zijn eigen gedrag. Hij leert ook niet dat bepaald gedrag niet acceptabel is, ook niet voor familieleden of een partner.

Te veel sponzen heeft ook nadelen voor jezelf: je gaat al snel over je eigen grenzen. Daardoor loop je meer risico op overbelasting.

Spiegelen

Als je spiegelt, ben je eerder geneigd om tegen de ander te zeggen dat hij de problemen die hij veroorzaakt, zelf moet oplossen. Je laat de verantwoordelijkheid bij de ander. Dat betekent niet dat mensen die spiegelen zeggen: ‘je redt je er maar mee’. Ze zeggen in feite: ’ik voel me bij je betrokken, ik hou van je, maar je bent zelf verantwoordelijk’.

Iemand die zich vooral als een spiegel gedraagt:

  • Weet wat zijn eigen grenzen zijn
  • Geeft zijn grenzen ook aan en bewaakt deze. Ook benoemt hij waarom die grenzen belangrijk voor hem zijn
  • Laat zich niet meeslepen door eigen emoties
  • Houdt afstand
  • Geeft vaker advies en kritiek op gedrag van anderen

Mensen die spiegelen zijn vaak consequent en duidelijk in het contact met anderen, waardoor ze structuur bieden en voorspelbaar zijn. In eerste instantie kan iemand die spiegelt koud en onverschillig overkomen. Anderen kunnen zich door hem of haar afgewezen voelen.

Beter spiegelen dan sponzen?

Sponzen is op zich niet fout of verkeerd. Er zijn situaties waarin je de regie moet overnemen en iemand moet proberen te ‘redden’. Bijvoorbeeld in een crisis. Maar over het algemeen hebben naasten vaak de neiging te veel te sponzen en zou het beter zijn als zij wat meer spiegelen.

Het belangrijkste verschil tussen de redder (de spons) en de grensrechter (de spiegel) is dat de laatste gezonder blijft. Je raakt niet overvoerd met alles wat er gebeurt, de stress loopt minder hoog op.

Het steviger in je schoenen staan heeft ook voordelen voor de ander. Door duidelijker je grenzen te trekken, stimuleer je de ander tot het nemen van eigen verantwoordelijkheid. Je laat dan ook merken dat je iemand voor vol aanziet. Op den duur zullen hierdoor het gevoel van eigenwaarde en geloof in eigen kunnen toenemen. 

Een voorbeeld

Een voorbeeld van een sponzende moeder en een spiegelende vader:

Marc is net het huis uit en is aan een studie begonnen. In de loop van zijn eerste jaar, gaat hij zich vreemder gedragen: hij gaat niet meer naar college, mijdt zijn vrienden en trekt zich steeds meer terug op zijn kamer. ’s Nachts horen anderen in het studentenhuis hem vaak in de weer en soms heeft hij de muziek keihard aan. Op een dag treft een van zijn huisgenoten hem in verwarde toestand aan. Marc wordt opgenomen, diagnose ‘schizofrenie’ wordt gesteld en na een opname van een aantal maanden besluiten zijn ouders, hulpverleners en hijzelf dat het beter is als hij tijdelijk weer bij zijn ouders gaat wonen.

Zijn moeder maakt zich erg bezorgd en heeft onbetaald verlof opgenomen om thuis bij Marc te kunnen zijn. Ze controleert of hij zijn medicijnen op tijd inneemt, belt hem op als hij even de deur uit is, nodigt oude vrienden van hem uit enzovoort.

Zijn vader heeft een houding van ‘laat die jongen nou gewoon tot rust komen’.

Marcs ouders krijgen onenigheid over de aanpak van hun zoon. Moeder neemt steeds meer zorg op zich. Ze dreigt burn-out te raken. Vader gaat vaker op stap met zijn vrienden. Moeder vindt dat vader zijn verantwoordelijkheid niet neemt. Vader vindt dat moeder zoon Marc verstikt. De weinige keren dat hij thuis is, is hij erg streng tegen Marc. Als Marc tegen hem zegt dat hij zich thuis zo verveelt, antwoordt zijn vader boos: ’daar kan ik toch niets aan doen!’.

In dit voorbeeld zijn de ouders elk doorgeslagen in hun gedragspatroon. Je kunt je voorstellen dat Marc met deze situatie niet wordt geholpen.

Nog een voorbeeld

Een voorbeeld van een sponzende partner:

Mieke heeft een angststoornis. Na de geboorte van hun eerste kind drie jaar geleden, kreeg ze een depressie, en daarna werd ze steeds angstiger. Eerst voelde ze zich schuldig dat ze onvoldoende zorg en aandacht had voor de baby. Daarna kreeg ze steeds meer last van angsten: van eerst vaak bij de baby kijken of alles nog goed was tot uiteindelijk niet meer alleen de straat op durven.

Mieke heeft zich ziek gemeld omdat ze ook niet naar haar werk durft en eigenlijk durft ze ook niet goed alleen thuis te zijn met de baby.

Haar man Abdel heeft haar altijd gesteund. Hij voelt zich verantwoordelijk voor haar. In het begin dacht hij dat het wel snel over zou gaan. Hij probeerde haar rust te geven en nam de zorg voor de baby op zich. Tegenwoordig belt hij haar elk uur vanaf zijn werk. Hij doet op weg naar huis boodschappen, maakt geen afspraken meer met vrienden en neemt steeds meer taken van Mieke over. Hij voelt zich doodmoe en klem gezet, maar heeft het gevoel dat hij geen andere keuze heeft.

Doordat Abdel te veel aan het redden is, heeft hij de grip op de situatie verloren. Als hij zijn gedrag niet verandert, raakt hij overspannen. 
Daarnaast houdt hij onbewust de angsten van Mieke in stand. Door haar steeds te beschermen. krijgt ze niet de kans te ervaren dat haar angsten niet uitkomen.