Overslaan en naar de inhoud gaan
96. Op mijn 45ste alsnog KOPP-kind
Ervaringen

Op mijn 45e alsnog een KOPP-kind

Hoe krabbel je weer overeind wanneer je als mantelzorger van twee gezinsleden met psychische problemen uiteindelijk zelf instort? Ik zit nog midden in dat proces en wil graag vertellen hoe het zo ver kwam. En wat mij nu op de been houdt.

Ik werd 61 jaar geleden geboren als jongste in een gezin met vier kinderen. Mijn vader was een rustige stabiele en hardwerkende man, mijn moeder wat neurotisch. Ze was op haar 18e opgenomen geweest. Waarvoor, dat was bij ons als kinderen in elk geval niet bekend. Mijn jeugd was fijn, tot de eerste barst kwam: mijn oudste broer stopte in zijn puberteit opeens met praten. Hij werd opgenomen. Veel later begreep ik dat hij schizofrenie had en psychoses. Na drie jaar kwam hij weer thuis wonen. Het was een rustige en zachtaardige jongen en ik kreeg eigenlijk weinig mee van zijn ziekte in die tijd. Er werd ons ook niets verteld. Mijn tweede broer bleek hetzelfde te hebben. Maar hij had soms heftige driftbuien en kon heel agressief worden als hij thuiskwam vanuit het gezinsvervangend tehuis waar hij woonde. Ik weet nog goed dat hij mijn vader wilde vermoorden. Ik was rond de 12 jaar maar sprong er toch tussen. ‘Ik kan hem wel aan’, zei mijn vader. Dat moment vergeet ik nooit meer. Mijn moeder leed zichtbaar onder de situatie. Ze werd zelf ook instabiel en was vaak opvliegend en agressief. Zo heb ik een keer een ijzeren beeld verstopt omdat ze dreigde daarmee mijn vaders hoofd in te slaan. Mijn vader moest mij en mijn zus ook regelmatig met een riem slaan van haar. Dan riep zij ‘Harder!’ Het voelde allemaal erg onveilig thuis in die tijd. Gelukkig was de buurjongen mijn vriend en zijn moeder was als een tweede moeder voor mij. Ik was daar bijna altijd. Daarom ging veel van wat er thuis gebeurde aan mij voorbij en had ik, ondanks alles, toch best een fijne jeugd en adolescentie.

Op mijn 18e kwam de eerste echte klap. Mijn oudste broer, met wie ik een fijne band had, overleed op zijn 25e onverwachts aan een acute longembolie. Mijn moeder verwijderde meteen elk spoor van hem, omdat ze hem anders ‘om zich heen voelde zweven’. We spraken nooit meer over hem. Het bleek achteraf een traumatische ervaring. Vooral omdat ik totaal niet mocht rouwen. Mijn zus was inmiddels al het huis uit. Gevlucht voor de gespannen situatie. Ik kon nergens heen.

Omdat mijn moeder steeds minder aankon werd ik langzaam een soort hulpverlener voor mijn tweede broer. Het ging vaak mis in het gezinsvervangend tehuis en dan moest ik de boel sussen. Ik vond dat zwaar, want met deze broer had ik eigenlijk geen echt contact. Maar ik deed het toch, volgzaam als ik was. Het ging gewoon door toen ik in 1986 trouwde, zelf twee dochters kreeg en een drukke baan had. Mijn moeder belde me vaak ’s nachts op. Dat waren urenlange gesprekken over de problemen van mijn broer.

Toen mijn vader in 1996 overleed kwam er nog meer op mijn schouders terecht. Mijn moeder werd depressief maar ze weigerde professionele hulp. ‘Als jij me niet wil helpen maak ik er een einde aan’: met dat soort uitspraken hield ze mij gevangen in mijn rol als mantelzorger en hulpverlener. Mijn zus woonde ver weg dus het kwam allemaal op mij neer. Eindeloze gesprekken, tochten langs ziekenhuizen vanwege allerlei -achteraf- psychosomatische klachten. En nul waardering of blijk van dank. Ik zag het als mijn Bijbelse opdracht: Eert uw vader en uw moeder.

Ondertussen leefde ik mijn leven. Ik was gek op mijn vrouw, had een leuke baan en probeerde een leuke vader te zijn, wat niet altijd even goed lukte naast de zorg voor mijn moeder en broer. Ik was zelf ook niet bepaald het zonnetje in huis maar deed alsof er niets aan de hand was. Totdat ik 16 jaar geleden, op mijn 45e, compleet op was. Ik heb mijn pen neergelegd op mijn werk en ben niet meer teruggegaan. De diagnose: overspannen en een depressie. Maar het ging niet over en ik werd er ook suïcidaal bij. In 2006 werd ik om die reden opgenomen en kreeg ik antidepressiva in hoge doseringen. Dat hielp. Ik ging ook helemaal de onderzoeksmolen door. Inmiddels was wel duidelijk dat mijn broers schizofrenie – en meer-  hadden, dus ik misschien ook? Maar nee, bij mij bleek er sprake te zijn van een enorm trauma door mijn jeugd en de compleet in de doofpot gestopte dood van mijn oudste broer. ‘Geestelijk en lichamelijk mishandeld’, was de diagnose. Op mijn 45e was ik alsnog een KOPP-kind geworden. Ik had het lang weten uit te stellen.

Na drie maanden opname mocht ik naar huis. Mijn behandelaren in de KOPP-ggz waren heel duidelijk: ik mocht geen contact meer opnemen met mijn broer en mijn moeder. Wederom: volgzaam als ik ben, deed ik dit dus ook niet meer. Mijn herstel kon beginnen. Tijdens de therapiesessies had een mede-patiënt tegen mij gezegd: ‘een depressie kan niet tegen activiteit’. Dat had indruk gemaakt. Zodra ik thuiskwam wilde ik weer aan het werk. Mijn werkgever stond hier wonderwel positief tegenover. Hij liet mij zelfs re-integreren in mijn eigen functie. Met veel gesprekken en de nodige controles over de kwaliteit van mijn werk vond ik langzaam mijn draai weer. Dit heeft enorm geholpen bij mijn herstel: je telt weer mee, doet iets zinvols, hebt structuur en bent onder collega’s. Ik vond ook mijn humor weer terug, een wapen dat mij, meer dan ik zelf doorhad, jarenlang heeft behoed om eerder in te storten. Maar ik ben er nog niet. Want mijn collega’s mogen me waarderen om mijn humor en mijn werk dat ik blijkbaar goed genoeg doe, thuis ben ik vaak helemaal op en heb ik nog steeds momenten van intens verdriet. Als ik eerlijk ben is mijn vrouw nu een beetje mijn mantelzorger. Mijn dochters en mijn kleindochter zijn een grote bron van vreugde.

Mijn instorting is niet voor niets geweest. Het was voor mij de enige manier om te ontsnappen aan de verstikkende positie waarin ik zat als naaste van twee psychisch zieke mensen. Mijn tweede broer is inmiddels ook overleden. In 2007 maakte hij een einde aan zijn leven. Mijn zus heeft de zorg voor mijn moeder overgenomen maar zij is beter in afstand bewaren en is er niet aan onderdoor gegaan. Mijn moeder is 92 geworden.

Tips van Hans

  1. Krijg je als naaste te maken met serieuze psychische problemen van een gezinslid, neem de zorg nooit helemaal zelf op je. Eis van die persoon dat hij/zij ook professionele hulp zoekt.
  2. Weigert die persoon dit en/of is professionele hulp niet voldoende, zorg dan dat de hulp die jij geeft niet ten koste van jezelf gaat.
  3. Betrek mensen uit je omgeving. Zodat zij jou op tijd kunnen waarschuwen als jij over je grenzen heen gaat. Of om een deel(tje) van jouw taken over te nemen. Doe het niet helemaal alleen!
  4. Schrijf over je ervaringen. Dat lucht op en kan je zelfinzicht geven. Ik schreef het boek ‘Hoe overleef je als KOPP-kind’? Het is bijna af. Ik hoop dat anderen er iets aan hebben.